Zijn vader zag wielrenners als "het uitschot van de straat". Voor een boerenfamilie die vocht om rond te komen, was koersen geen ambitie maar tijdverlies. Toch stond Briek elke ochtend op om half vier, spaarde vier jaar lang, en kocht die tweedehands fiets.
De 15 frank van zijn allereerste koers gaf hij meteen aan zijn moeder. Geen gebaar van een dromer, maar van een jongen die begreep wat het gezin nodig had. Die combinatie, honger naar winnen én plichtsbesef, zou zijn hele carrière kenmerken.